#9 | Het Dorpshuis gered

In 1978 werd er in verband met het 650-jarig bestaan van Nijbroek een reddingsoperatie opgezet om het Dorpshuis “De Arend” te behouden. Henk van Eek herinnert zich nog, dat er sprake van was om het Dorpshuis te slopen. Op die plaats zou, hoe bedenk je het, een oudpapierhandel gevestigd worden. Dat moeten we met zijn allen voorkomen, was de algehele sfeer.

Maar daarvoor was veel geld nodig. Er werd een reddingsoperatie opgezet. Henk vertelt, dat de bewoners symbolisch mede-eigenaar van het Dorpshuis konden worden door één vierkante meter voor 100 gulden te kopen. De eerste 40.000 gulden werd via deze actie binnengehaald. Zowel de kerk als de gemeente Voorst deden daar nog elk ca. 90.000 gulden bij en van de kerkelijke diaconie kwam er nog eens een bedrag van 20.000 gulden binnen.

Op deze manier bewees de bevolking van Nijbroek veerkracht en eensgezindheid. De noodzakelijke verbouwingen werden uitgevoerd en zo werd het Dorpshuis, een uniek monument, van de sloop gered.

Op de foto staat een afbeelding van het Dorpshuis “De Arend” uit 1775. Het is een schildering op de deksel van een houtbak die in particulier bezit is.

Dit is het negende verhaal in de reeks Nijbroekers in beeld, geschreven door Herman van den Nieuwendijk. Herman is onderdeel van de werkgroep Polder Nijbroek en woont aan de Dijkhuizenweg.

#8 | De Middendijk-Allee

Eigenlijk wel bijzonder dat je geliefde opgroeide in het huis dat door je opa is gebouwd. Mirjam woonde niet ver van Bessel Dalhuisen, aan de overkant van de Middendijk. Na hun huwelijk in 1992 betrokken ze de monumentale boerderij “De Poterijen”, aan het einde van de lange oprijlaan achter de ouderlijke woning van Mirjam. Hier wonen ze nog steeds met hun drie zonen en dochter.

Over die oprijlaan naar “De Poterijen” was in de oorlog een neergeschoten V2 tussen de bomen door gescheerd en zonder te ontploffen in het weiland neergekomen. Bessel had dat ooit van zijn vader gehoord, die verder vertelde dat boeren in de buurt alles van de raket sloopten wat ze maar enigszins konden gebruiken. Een levensgevaarlijke klus. Daarna moest hij tot ontploffing gebracht worden. Men dacht dat veilig te kunnen doen door flink wat strobalen om het projectiel te plaatsen. Natuurlijk hielp dat niets. Alle ruiten in de buurt moesten er aan geloven en een wonder dat er geen verdere ongelukken zijn gebeurd.

Ook wist zijn vader nog dat de vroegere voetbalclub van Nijbroek naast hun boerderij had gespeeld. Kleedkamers waren er niet. De spelers kleedden zich om in een schuur. Als het geregend had, was het pad naar die schuur altijd erg modderig. Gastspelers verwachtten dat niet en ze hadden meestal hun goede  schoenen al onder de vette klei zitten voordat ze in de “kleedkamer” waren. Fanatiek was Nijbroek vooral als de derby tegen Welsum op het programma stond en bij de uitwedstrijd ging iedere rechtgeaarde voetballiefhebber mee. Het voetbalveld van Nijbroek is later naar een wat hogere locatie tussen het dorp en het kruispunt met de Vaassenseweg (nu de rotonde) verplaatst. Uiteindelijk ging de club op in de vereniging van Oene.

Het huis van de familie Dalhuisen ligt wat verscholen aan de Middendijk. Het is een prachtige plek. Vanuit hun tuin zie je in de weide omtrek alleen maar weilanden, afgewisseld met een enkele boerderij en een klein bosje.

De Middendijk is een lange, vrijwel rechte weg, die alleen in het noorden een aantal S-bochten vormt. Aan weerszijden loopt een sloot. Die aan de rechterkant, richting Oene, mondt uit bij het Sluisje, dat op de lijst van Monumentenzorg staat. De huizen, boerenerven en weilanden zijn bereikbaar via bruggetjes, die bijna allemaal geheel in verval zijn geraakt. Oorspronkelijk hadden ze gemetselde gewelfde duikers, zoals op de foto.

Veel bruggetjes met gemetselde duikers langs de Middendijk zijn in verval geraakt of vervangen door betonnen duikers. Jammer, vindt Bessel Dalhuisen.

Ze zagen er schoon en onderhouden uit en dat gaf een zeker aanzien aan de Middendijk. Vele zijn in de loop der jaren ingezakt en overwoekerd door onkruid. Andere zijn helemaal verdwenen en bij die gebleven zijn, is het mooie metselwerk meestal vervangen door lelijke betonnen duikers. Het wordt hoog tijd dat deze bruggen in ere worden hersteld. En dat – vindt Bessel – is een uitdaging voor het project “Polder Nijbroek”.

In elk geval ziet hij het al helemaal voor zich. De Middendijk met hoge bomen, vanaf de Kadijk tot aan het Sluisje bij de Vloeddijk, als een prachtige allee door het groene landschap van Nijbroek met aan beide kanten de mooi gerestaureerde bruggen, elk een monument op zich, als toegang tot de veelal statige boerderijen en huizen.

Dit is het achtste verhaal in de reeks Nijbroekers in beeld, geschreven door Herman van den Nieuwendijk. Herman is onderdeel van de werkgroep Polder Nijbroek en woont aan de Dijkhuizenweg.

#7 | Oefening en Stichting, een koor uit nood geboren

Al eeuwenlang worden de kerkdiensten op zondag in de middeleeuwse kerk (nu PKN) door mensen uit Polder Nijbroek bezocht. Het opluisteren van de diensten met het zingen van psalmen en hymnen was beslist geen streling voor het oor. De liederen waren waarschijnlijk te moeilijk en er werd slecht gezongen. Dat kon zo niet langer en met die zelfkennis werd in 1936 het gemengde koor met de opvoedkundige naam “Oefening en Stichting” in het leven geroepen. Daarbij werd besloten, dat het koor aan kerkdiensten zijn medewerking zou verlenen zonder aan de kerk gebonden te zijn.

Wim van der Snel, secretaris, is samen met zijn vrouw Minie al jaren bij het koor. Ze herinneren zich nog goed dat er ook oudhollandse liedjes ten gehore gebracht werden. Een latere dirigent bracht daar verandering in waarna er alleen nog geestelijke liederen worden gezongen.

In de zestiger en zeventiger jaren was meneer van Essen dirigent. Koorleden werden toen nog vaak alleen bij hun achternaam aangesproken, maar bij deze dirigent durfde men “meneer” niet weg te laten. Het koor had maar liefst zo’n 80 leden. Optredens waren er geregeld, soms ook met het mannenkoor uit Epe. Toen bij zo’n gezamenlijk optreden in de hervormde kerk in Twello een lied verkeerd werd ingezet, kapte meneer Van Essen dat resoluut af en hij liet beide koren opnieuw beginnen. En daar heeft hij naderhand duidelijk zijn mening over gegeven. Een goede dirigent hoort niet gemakkelijk te zijn, maar meneer Van Essen was wel bijzonder streng. Toch had men alom respect voor hem.

In die jaren maakte het koor al jaarlijks een uitstapje, zo ook een keer naar Kleef. Natuurlijk werd daar een terrasje gepakt. “Was wollen Sie trinken? Ein kleines, mittel oder ein grosses Bier? Natuurlijk wilden de vaak nog jonge kerels “ein grote Bier”. Maar ook bij koorleden gaat dat bier zijn natuurlijke weg. Op de terugweg vroeg men de chauffeur om stil te houden, maar die vond dat langs de doorgaande weg onverantwoord. Uiteindelijk moest de bus voor een gesloten spoorwegovergang stoppen en de mannen zagen hun kans schoon om uit de bus te springen. Daar stonden ze, allemaal op een rij. Maar ook het verkeer laat zich niet dwingen. Spoorbomen omhoog, de bus trok op en de mannen stonden  met lege handen, figuurlijk dan. Ze moesten een behoorlijk eind lopen voordat ze weer in de bus, die op een veilige parkeerplaats wachtte, konden stappen. Of de chauffeur aan het eind van de rit zijn normale fooi heeft gehad, vermeldt het verhaal niet.

Een aantal van die mannen en vrouwen van toen is nog altijd lid, sommigen al meer dan 50 jaar en er is zelfs iemand die al zijn 60-jarig jubileum heeft gevierd. Dat jaarlijkse uitstapje aan het begin van het seizoen in september is niet meer weg te denken evenmin als de fietstocht aan het begin van de zomervakantie.

Een van de meest ambitieuze concerten die het koor in de laatste jaren heeft opgevoerd was “The Cruxifixion” onder leiding van de toenmalige dirigent Arjan van Hees. Een heel seizoen had men er voor geoefend. Samen met het inmiddels opgeheven koor van Twello werden kort voor Pasen concerten in de kerken van Twello en Nijbroek gegeven. Die oogstten veel lof en waardering. Het was dan ook een opmerkelijke prestatie, vooral omdat voor veel van de leden het Engels echt een vreemde taal is.

Sinds het 75-jarig bestaan van het koor dragen de vrouwen de rood-zwarte kleding en de mannen zwarte pakken met een rode das. Op 12 november 2016 zou voor het 80-jarig bestaan evenals vijf jaar eerder een jubileumconcert gehouden worden. Helaas sloeg dat jaar bij twee jongere leden de gevreesde ziekte toe. Teun Berends, de beste tenor overleed binnen enkele maanden al in september van dat jaar. De lust om te zingen voor een feestelijk concert was de koorleden wel vergaan. Er werd besloten het concert naar 6 mei 2017 uit te stellen. Het was toen de vraag of de beste sopraan, Annie Koorn, dit nog zou meemaken. Zij heeft er helemaal naar toe geleefd. “Dit nemen ze mij niet af”, zei ze dapper. Het werd haar laatste optreden.

Oefening en Stichting een koor dat uit de nood is geboren. De huidige koordirigent, Lucas Dalhuisen, heeft het niveau van het koor verder weten op te bouwen. Met veel enthousiasme wordt er een aantal keren per jaar in de kerk van Nijbroek en soms ook daarbuiten opgetreden en de concerten dwingen altijd een warm applaus af.

Het koor bestaat nu uit 41 leden. Die komen niet alleen uit de Polder Nijbroek, maar ook uit de omliggende dorpen en zelfs uit Deventer. De mensen bezoeken elke dinsdag zeer trouw de repetitie-avonden.

Nijbroek mag trots zijn op het koor “Oefening en Stichting” en op de mensen die zich inzetten voor de vereniging waartoe zeker het werven van nieuwe leden behoort. Gezien de leeftijd is er natuurlijk verloop. Tot nu toe heeft men dit gelukkig met nieuwe leden kunnen opvangen. Maar willen wij ook in de toekomst van dit voor zo’n klein dorp prachtige koor blijven genieten, dan is het noodzakelijk dat bewoners van de Polder en daarbuiten hun stem in dit koor laten meeklinken.

Dit is het zevende verhaal in de reeks Nijbroekers in beeld, geschreven door Herman van den Nieuwendijk. Herman is onderdeel van de werkgroep Polder Nijbroek en woont aan de Dijkhuizenweg.

#6 | Twee geheimzinnige deuren

In de zestiger jaren moesten er nog veel landbouwwegen geasfalteerd worden. Henk van Eek zette zich als gemeenteraadslid bijzonder daarvoor in. Mede door zijn inspanningen werd in 1968 de Monnikenweg van asfalt voorzien, hoewel de gemeente de bewoners een deel van de kosten daarvan liet betalen. Dat was wel tegen het zere been, vooral omdat de bewoners in eerdere jaren de portemonnee al flink hadden moeten trekken om de weg enigszins begaanbaar te houden. Henk van Eek weet nog heel goed dat de Monnikenweg onverhard was. Er zaten veel kuilen in de weg en de buurtbewoners besloten om zelf geld bij elkaar te leggen om de weg te egaliseren en te verharden. Het was 1949. Je zou denken dat zo vlak na de oorlog genoeg puin voorhanden was, maar zo was het niet. Bakstenen van vernielde gebouwen werden zorgvuldig schoon gebikt om opnieuw voor noodwoningen te worden gebruikt.

Op de hoek van de Middendijk en de Monnikenweg had vroeger Huize Fransenberg gestaan. Hier had de richter gewoond, die het spieker (graanopslagplaats) van het naastgelegen klooster tot zijn woning had verbouwd. Volgens oude verhalen zouden de fundamenten daarvan nog in de grond moeten zitten. Als dat al zo was, dan wist niemand precies waar. En wie had er nu trek in om op goed geluk te gaan spitten? Iemand kwam met het briljante idee om de heer Hulsegger uit Gorssel in te huren, een wichelroedeloper. Met zijn wichelroede ging hij eerst op zoek naar wateraders. Toen hij die had gevonden, stelde hij hem in op steen. Waar zijn wichelroede de aanwezigheid van steen aangaf, werden paaltjes neergezet. De buren begonnen te graven en verbaasden zich erover dat tot op de millimeter nauwkeurig de fundering door Hulsegger was aangegeven. Het steen was zacht, verpulverde gemakkelijk en was daardoor uitermate geschikt om de weg te egaliseren. Achteraf bezien is het ontzettend jammer dat een groot deel van die fundering verloren is gegaan, maar in de eerste jaren na de oorlog had men geen oog daarvoor.

Al eeuwen lang bestond er een gerucht over een onderaardse gang die van het klooster naar de kerk zou lopen. En bij het uitgraven kon het niet anders dan dat met het puin ook de verhalen over die gang naar boven kwamen. “Als wij nu eens ….” “Ja, wacht eens even”, zei de heer Kers. Hij woonde in een oude boerderij aan de Monnikenweg 6. “Mijn vader is ooit, bij het bewerken van het land met een schop op een ondergrondse ijzeren deur gestoten.” Er werd al gauw aangenomen, dat dát wel eens de deur zou kunnen zijn die naar die onderaardse gang leidde. En de wichelroedeloper was toch nog bezig, dus als hem verteld werd, waar hij die moest zoeken, dan zou die deur zo gevonden zijn.

De oude heer Kers, die al wel 90 was, werd gevraagd om ongeveer aan te geven waar hij op die deur gestoten was. Dat wilde hij niet, maar na veel aandringen, kwam hij toch aangestrompeld. Iedereen wachtte vol spanning af. Maar de man kon de plaats niet aanwijzen en hoe de wichelroedeloper ook zijn best deed, een deur werd niet gevonden. Al gauw werd gedacht, dat de oude man het allemaal verzonnen had en het verhaal alleen maar verteld had om zelf in de belangstelling te staan. Maar er werd ook gezegd, dat het wel eens zijn vader of grootvader konden zijn geweest, die op die deur waren gestoten en dat hij het verhaal van hen had. Hoe dan ook, de oude man is naderhand nog dagen van de kaart geweest.

Het gerucht over de onderaardse gang werd opnieuw gevoed bij de restauratiewerkzaamheden van de kerk in 1980/81. Er werd toen ook van allerlei onderzoek onder de kerk gedaan, want er bevonden zich hier nog verschillende graven. Daarbij heeft men in de fundering van de zuidelijke buitenmuur een deur ontdekt. Dit moest wel de deur vanuit de kerk zijn, die toegang tot de geheime gang naar het klooster gaf. Maar helaas was er geen geld meer beschikbaar om hiernaar onderzoek te doen.

De deur bleef dicht. Een gemiste kans. Het mysterie van de onderaardse gang en haar twee toegangsdeuren blijft onopgelost.

Dit is het zesde verhaal in de reeks Nijbroekers in beeld, geschreven door Herman van den Nieuwendijk. Herman is onderdeel van de werkgroep Polder Nijbroek en woont aan de Dijkhuizenweg.

#5 | De vrijwilligers van de begraafplaats

Ik, vrijwilligerswerk? Om de dooie dood niet en zeker niet op een kerkhof. Dit soort geluiden hoor je misschien ergens anders, maar niet binnen de Polder Nijbroek, waar het vrijwilligerswerk op allerlei manieren zo’n belangrijke plaats inneemt.

Gerrit Gerrits kan zich niet herinneren in welk jaar hij precies begonnen is om mee te werken aan het onderhoud van het kerkhof. Hij was bezig met het schoonmaken van het graf van zijn ouders toen hij Berend de Wilde en Marinus Veldhuis, beiden inmiddels overleden, bezig zag om dikke takken met een handzaag af te zagen. Onbegonnen werk. “Ik heb wel een kettingzaag”, zei Gerrit, “en ik kom jullie wel helpen.” Dat is hij blijven doen. In 2004 kwam Aart Berends het onderhoudsteam versterken.

Het kerkhof van Nijbroek ligt laag en bij het delven van een graf zou je zo op grondwater zitten.  Daarom is het oude gedeelte opgehoogd met grond van de zijkanten, zodat er rondom een soort gracht ontstaan is. Het nieuwe gedeelte moest ook worden opgehoogd. Er werd gratis grond van de Vulcanus uit Vaassen aangeboden, maar de gemeente wilde dat niet, want die zou te veel vervuild zijn. Uiteindelijk werd er naast afgegraven grond voor de A1 ook grond gebruikt die van de ijsbaan uit Deventer kwam. Maar volgens Gerrit zat die grond ook vol met puin en bij het delven van een graf hebben ze daar nog steeds last van.

Berend de Wilde wist dat hij ooit een plaatsje op dit nieuwe stuk zou krijgen. “Maar dan het liefst ergens achter aan”, zei hij. Helaas, zo lang mocht het niet meer duren. Hij ligt zelfs helemaal vooraan in het derde graf en Marinus Veldhuis twee graven verder.

Het onderhoud dat Aart en Gerrit doen, samen met Gerrit Wolters en Gertie Dalhuisen, bestaat voornamelijk uit het snoeien van bomen en struiken en het schoonhouden van de paden met een bladblazer. Oude grintgraven worden in het voorjaar schoon gespoten. Het afval wordt door de gemeente opgehaald, maar ze verbranden ook wel al het snoeihout. Op een keer hadden ze er al flink de fik erin. Gerrit had in het kraanwagentje al een volgende bak met takken klaar hangen om er bovenop te gooien. Maar het leek veiliger om even te wachten. Zo redde hij het leven van twee prachtige diertjes, want in de bak zag hij opeens wat bewegen. Er zaten twee bunzings in. Iets dergelijks is hen ook een keer met een egel overkomen.

Door een particulier bedrijf werd eerder het gras gemaaid, maar dat gebeurde slordig aan de randen en het gras om de graven werd niet weggehaald. Nu doet Tonnie Pannekoek het en het ziet er allemaal even netjes uit.

Een grote klus hadden de mannen aan het begin van het jaar 2018. Een storm raasde toen over Nederland. Op het kerkhof waaiden vier grote bomen om. Dat betekende veel zagen en opruimen. Een van de bomen was op een graf terechtgekomen, zonder het overigens te beschadigen. Met alle omzichtigheid moest gewerkt worden om te voorkomen dat tijdens het opruimen het graf alsnog kapot zou gaan. Ook op een kerkhof laat de natuur zich niet stoppen. Dat zie je wel aan die grote rode beuk, die op een afstandje van een graf werd geplant. De eerst smalle stam groeide zo enorm uit, dat de grafsteen helemaal scheef is komen te liggen.

Het kleine huisje dat er staat, noemen ze de kantine. Hier drinken ze hun meegebrachte koffie en eten ze hun broodjes. Elektriciteit is er niet. Het gereedschap dat ze gebruiken, gaat weer mee naar huis, want dat staat hier niet veilig. Ze zagen aan het gebroken raampje van de kantine, dat er al een keer geprobeerd was om in te breken.

Je kunt nog zo je best doen om het kerkhof netjes te houden, er zijn altijd wel mensen die er een troep van maken. Dat zijn niet de bezoekers maar voorbijgangers die op de parkeerplaats stoppen om wat te eten en te drinken. Het afval laten ze voor de vrijwilligers achter. Een keer heeft Gerrit er zelfs een oude kinderwagen gevonden. Er zaten nog nette lakentjes en dekentjes in, maar hij dacht: “Wat moet ik ermee, hup in de container.” Bij nader inzien werd er toch een politieonderzoek ingesteld. Ouders en baby zijn nooit gevonden.

Aart en Gert hebben wel eens gehoord, dat vroeger op een nieuw kerkhof eerst een kind begraven moest worden, voordat er verder gebruik van gemaakt werd. Of dat verhaal klopt, weten ze niet, maar het oudste graf uit 1878 is wel van een kind. Net voor de pomp ligt onder een platte steen de zevenjarige Sophie Romijn, dochter van een predikant, begraven. Zou dit zo’n eerste grafje zijn?

Bij het maken van foto’s op het kerkhof spraken we met een man van 90, die bezig was het graf van zijn vrouw schoon te maken. Hij vertelde dat zijn moeder 86 jaar geleden hier begraven was. Haar graf zou vlak naast dat van Sophie moeten liggen. Het gezin met drie jonge kinderen kon zich  geen grafmonument veroorloven en het graf van zijn moeder kreeg alleen een nummeraanduiding. Hetzelfde gebeurde ook met twee graven daarnaast, maar de drie bordjes zijn in de loop van de tijd verdwenen. Hij vindt het erg spijtig dat hij daarom de exacte plaats van het graf van zijn moeder niet weet.

In Nijbroek zijn wij blij met deze mensen die zich zo inzetten om het kerkhof “leefbaar” te houden. De Polder Nijbroek is een gemeenschap waar alles samen gedaan wordt. We mogen er zeker van zijn, dat hun werk op een dag door een nieuwe generatie wordt opgepakt.

Tijdens zo’n gesprek over hun werk op het kerkhof komen er meer dingen aan de orde en dan blijken eens temeer dood en nieuw leven vlak bij elkaar te liggen. Aart wist nog van een bevalling waar de huisdokter plotseling naar toe moest. Zijn opa en later zijn vader beheerden het café “De Vrolijke Boer” aan de Vloeddijk op de hoek van de Veluwsedijk. Terug van de markt in Deventer legden hier altijd de Elburgse visboeren aan.

De Veluwsedijk was nog een zeer slecht begaanbare zandweg. Als hij daar moest zijn, parkeerde de dokter meestal zijn auto bij het café. Hij ging dan verder op de fiets van de vader van Aart. Op zekere dag moest hij plotseling naar een bevalling. Aarts vader was net thuis van een slacht en hij had al het slachtersgereedschap nog in de fietstassen zitten. De dokter had zo veel haast dat hij daar niet op lette en onder grote hilariteit van de cafébezoekers vertrok. Dat zou een zware bevalling worden! En men proostte nog eens extra op een goede afloop.

Foto: Aart Berends, Gerrit Gerrits en Gerrit Wolters nemen even koffiepauze voor de kantine.

Dit is het vijfde verhaal in de reeks Nijbroekers in beeld, geschreven door Herman van den Nieuwendijk. Herman is onderdeel van de werkgroep Polder Nijbroek en woont aan de Dijkhuizenweg.

#4 | Oorlogsperikelen

In Nijbroek zijn tijdens de oorlog nooit die verschrikkelijke dingen gebeurd die er in veel andere delen van het land wel zijn voorgevallen. Nooit werd er iemand opgepakt, laat staan geëxecuteerd en er zijn ook geen razzia’s gehouden. Op het kerkhof zul je tevergeefs naar oorlogsgraven zoeken.

Tijdens de oorlog was Henk van Eek nog een jongen. Hij put uit zijn eigen herinnering en uit de verhalen die hij gehoord heeft over de oorlogstijd in Nijbroek.

Meer nog dan anders was Nijbroek in die dagen een hechte gemeenschap. De dominee was Duitsgezind en lid van de NSB. Toch was hij op geen enkele manier fanatiek en hij heeft nooit iemand verraden. Vanaf de kansel werd ook nooit over politiek gesproken. Wel dachten de mensen, als de dominee bij de NSB is, dan kan dat toch niet zo slecht zijn, dus waren er meer NSB-ers in Nijbroek zonder daar verder een grote politieke waarde aan te hangen. Zo ging eigenlijk iedereen zijn eigen gang.

Natuurlijk was niet iedereen even blij met de Duitse gezindheid van sommige Nijbroekers. En om daar een keer uiting aan te geven, schilderde iemand ’s nachts een van de koeien van zijn NSB-buurman helemaal oranje. Hoewel bekend werd wie het gedaan had, bleven ze gewoon goede buren. Dit tekende een beetje de sfeer in het dorp.

Na de slag om Arnhem in september 1944 trokken de evacuees de Veluwe over. En wie in Nijbroek kwam, kon er op rekenen te worden geholpen. Er werd dan clandestien geslacht en er werd van de toch al berooide mensen geen geld gevraagd.

Ook tijdens de hongerwinter kwamen er mensen uit het westen naar onze streek. Op Henk maakten vooral de kindertransporten uit Amsterdam, soms ook uit Rotterdam, veel indruk. De kinderen kwamen met de trein in Deventer aan. Henks vader was diaken van de kerk en hij organiseerde de ontvangst en het verdere transport van de kinderen. Ze werden met paard en wagen uit Deventer opgehaald en ze gingen over de dijk langs de IJssel naar Nijbroek en omgeving. Dat was niet ongevaarlijk. De geallieerden lagen al aan de overkant en die schoten op alles wat bewoog. Zo is ook een van de transporten van zijn vader een keer beschoten. Alle kinderen moesten uit de wagen en zich schuilhouden tot men doorhad dat het hier om een hulptransport met kinderen ging. Iedereen is veilig aangekomen. De dankbaarheid van de mensen, die geholpen werden, was groot. Velen zijn contact blijven onderhouden en hebben hun weldoeners in Nijbroek nog vaak opgezocht.

Hoewel de mensen in Nijbroek niet werden opgepakt om naar werkkampen in Duitsland gestuurd te worden, kregen ze wel allerlei taken in de buurt toebedeeld. Zo moesten er loopgraven langs de IJssel komen om de oprukkende geallieerde troepen tegen te houden.  De dorpelingen dienden zich te melden om mee te helpen graven. Had je nu een dag geen zin of kon je echt niet, dan regelde de dominee voor jou wel een “geldig” excuus om weg te blijven.

Bovendien moest er ’s nachts gepost worden bij hooibergen en bij de manege aan de Blikkenweg in Terwolde. Er waren groepen actief die het er op gemunt hadden om deze plaatsen in brand te steken. De mensen moesten door weer en wind op de fiets, vaak naar Twello, en bij het wachtlopen was men uiteraard niet bewapend. Dat was voor de meesten erg spannend en ook wel erg dubbel. Want je waakte voor de vijand en wat moest je doen als je oog in oog kwam te staan met een verzetsstrijder?

Een van de mensen die moest posten, woonde op de Geere. Hij was een verstokt roker, maar hij wist dat het meenemen van rookgerei en zeker van lucifers ten strengste verboden was. Toch dacht hij de Duitsers om de tuin te kunnen leiden. Onder het zadel van zijn fiets had hij zijn tabak, vloeitjes en lucifers verstopt, ervan overtuigd dat de Duitsers dat niet zouden vinden. Maar natuurlijk kende men die truc en tijdens het posten had men de spullen gevonden. Hij kon niet anders dan bekennen dat ze van hem waren. Hij verwachtte te zullen worden gearresteerd. Maar dat gebeurde uiteindelijk niet en hij mocht gewoon naar huis en hij is zijn hele leven lang blijven roken.

Fietsen waren er dus nog in Nijbroek, al moesten ze wel verstopt worden, zeker tijdens het laatste oorlogsjaar. Die fietsen verborg men vaak in een stukje bos dat zich rechts aan het einde van de Monnikenweg bevond. Maar niet alleen fietsen, ook paarden, want in de hongerwinter werden alle paarden door de Duitsers in beslag genomen. Alleen de paarden van de bewoners van de Monnikenweg bleven gespaard. Toen ter ore kwam, dat men de paarden moest inleveren, verstopte men die gauw in dat bosje. Om beurten bewaakten de boeren overdag die plaats en gaven ze de dieren water en hooi. Volgens Henk van Eek waren het twee paarden van zijn vader, ook twee paarden van Jan Kers, drie van de fam. Stenfert en verder een paard van Lucas Veldhuis en van fam. Van Vemde.

Het is heel wonderlijk dat er in Nijbroek tijdens de oorlog nooit iets ernstigs is voorgevallen. Zelfs bij de bevrijding in april 1945 heeft het dorp maar drie dagen onder vuur gelegen, terwijl  in de omliggende dorpen en buurtschappen de beschietingen wel drie weken duurden. Mensen hielpen elkaar, aan welke kant je ook stond. Zo kon het zelfs zijn, dat op Lommerlust waar tijdens de oorlog Joden ondergedoken hadden gezeten, ook de NSB-burgemeester van Groningen even een veilig onderkomen vond.

En die dominee dan? Hij werd uiteraard na de oorlog afgezet en mocht de eerstkomende vijf jaar niet meer preken.

Dit is het vierde verhaal in de reeks Nijbroekers in beeld, geschreven door Herman van den Nieuwendijk. Herman is onderdeel van de werkgroep Polder Nijbroek en woont aan de Dijkhuizenweg.

#3 | De kruidenierswinkel

“Bij graafwerkzaamheden aan het Dorpsplein kwamen ze voor ons huis nog een complete witte muur tegen”, zo vertelt Willem Jacobs. Het bleek de binnenmuur van de kelder van de T-boerderij te zijn die hier vroeger had gestaan. Je kon daaruit duidelijk afleiden dat de weg toen veel smaller was. Nadat de werkzaamheden voltooid waren, werd de muur weer onder de klinkers en de stoep van het Dorpsplein begraven. Die boerderij heette “Roosendaelsgaarde”.  Op het perceel waar deze boerderij had gestaan, hebben Willem en Teuntje Jacobs in 1992 hun huis laten bouwen. Als herinnering aan de vroegere boerderij hingen ze een bord aan de voorkant van hun huis met daarop in sierlijke letters “Roosendaelshof” geschilderd.

Willem werd als zoon van een fietsenmaker geboren in De Vecht. Naast een fietsenzaak hadden zijn ouders ook een kruidenierswinkel. Het hele gezin hielp mee. Jong als hij was, ging Willem op de transportfiets de omgeving rond om de boodschappenboekjes op te halen en de boodschappen te brengen. De klant waar hij het liefste kwam, was fam. Jacobs aan de Kadijk, een ver familielid van Willem. Hier werkte Teuntje. Zij keek telkens uit naar dat moment waarop de boodschappen bezorgd werden.

Teuntje en Willem hadden al bijna zeven jaar verkering toen ze opeens de kans kregen om het huis met kruidenierswinkel en café van de gezusters Kers in Nijbroek te kopen. (De volledige vergunning was al vergeven.) Het was leeg komen te staan nadat een van beide zussen was overleden en de ander door ziekte de zaak niet kon voortzetten. Iedereen in de omtrek kende het café, want hier vond de jaarlijkse grasverkoop plaats. Dat kopen van de rechten om op een bepaald stuk land het gras te maaien en te hooien moet een groots gebeuren zijn geweest.

Willem en Teuntje wilden maar wat graag een kruidenierswinkel beginnen. Maakten ze wel kans om dit pand te kopen? De werkgever van Teuntje wist hoe je zoiets moest aanpakken en mede dankzij zijn hulp waren zij opeens eigenaar van het huis met de kruidenierswinkel.

In alles kregen zij enorme medewerking. Het ging onvoorstelbaar snel. Binnen drie maanden was de noodzakelijke verbouwing klaar. Op een woensdag in oktober 1952 trouwde het paar en twee dagen later openden zij hun kruidenierswinkel. De klantenkring van zijn moeder werd aan Willem overgedaan. Teuntje hielp de klanten in de winkel. Dat was zwaar werk. Bijna alles moest nog worden afgewogen.

Ook als trotse winkeleigenaar bleef Willem rondgaan om de boodschappenboekjes op te halen en het bestelde af te leveren. De gezinnen waren in die tijd groot. Bepaalde producten, zoals melk, hoefde hij bij de boerengezinnen niet te leveren, want die hadden ze zelf wel. In de vijftiger jaren was er nog veel armoede onder de mensen, maar men had zijn trots. Roomboter was duur in die dagen en het alternatief was Blue Band. Als je dat kocht, liet je dat niet aan een ander weten. Willem wist precies hoe hiermee om te gaan. Hij zorgde ervoor dat de margarine steevast onderop in de boodschappenmand kwam te liggen.

Sommige mensen waren erg op de centen. Willem herinnert zich een vrouw die bij hem een inmaakpot had gekocht van 30 liter. Maar eenmaal thuis beweerde ze dat daar nooit zoveel inging en Willem moest opdraven om te bewijzen dat de inhoud wel klopte. Maar hoe doe je dat? Hij wist er wel wat op. In een melkbus ging ook 30 liter. Hij vulde die en goot het water over in de pot. Het klopte precies.

In 1988 begon Teuntje hartproblemen te krijgen. Het was niet verantwoord om de winkel voort te zetten. Voor het echtpaar Jacobs was dit een moeilijke beslissing. Bovendien was het een groot verlies voor het dorp. De winkel had een markante plaats ingenomen. Mensen die de tijd van de winkel hebben meegemaakt, spreken nog altijd met respect over Willem en Teuntje Jacobs. Ze vertellen nog met weemoed, dat je bij onverwachte visite rustig buiten sluitingstijd naar de naastliggende schuur kon gaan om daar zelf bier of limonade, of wat je maar nodig had, te halen. Je schreef op wat je meenam en betaalde later. Alles gebeurde in goed vertrouwen. “Dat klopt”, beaamt Willem, “en wij zijn nooit te kort gekomen.”

Nadat ze met de winkel gestopt zijn, hebben Teuntje en Willem nog lang van elkaar en hun kinderen in hun nieuwe huis mogen genieten. Ze zijn maar liefst 65 jaar getrouwd geweest. “72 jaar waren wij in totaal bij elkaar”. Helaas ging Teuntje de laatste jaren van haar leven hard achteruit. Je zag haar nog met haar rollator het dagelijkse rondje door het dorp lopen. Tot het allemaal niet meer ging. Ze kreeg een liefdevolle verzorging op Casa Bonita in Twello, waar ze in februari 2018 is overleden. In een volle kerk namen wij tijdens een indrukwekkende dienst afscheid van deze geliefde vrouw.

Dit is het derde verhaal in de reeks Nijbroekers in beeld, geschreven door Herman van den Nieuwendijk. Herman is onderdeel van de werkgroep Polder Nijbroek en woont aan de Dijkhuizenweg.

#2 | Een natuurlijk landschap met MRIJ-vee

Fietsers en wandelaars die vanaf de Vaassenseweg over het Geersepad naar Nijbroek gaan, zien in de  S-bocht een groot bord met een rijmelarij:  Blij met MRIJ in de wei. Menigeen zal zich afvragen waar die afkorting voor staat. Maar een ander, die die roodbonte koeien ziet, zal zich herinneren, dat hiermee  het vee uit het rivierengebied bedoeld wordt: Maas, Rijn en IJssel.

Henk van Eek kan er alles over vertellen. Hij woont aan de Monnikenweg in een mooi huis, dat gebouwd werd nadat zijn boerderij in 2011 was afgebrand.

Henks voorouders waren als imkers rond 1800 van Kootwijkerbroek naar Nijbroek verhuisd.  Het houden van bijen maakte plaats voor het houden van vee. Er werd een fokbedrijf voor MRIJ-vee opgezet. Dat is nu in handen van Wim, een van zijn zoons.

Het zijn hoofdzakelijk bio-boeren die deze koeien houden. In een tijd waarin milieu en duurzaamheid zo centraal staan, scoort het MRIJ-vee hoog. Het is een dubbeldoel ras, wat wil zeggen, dat de koe zowel geschikt is voor melk- als vleesproductie. Het leeft veel soberder dan menig ander ras. Zodra de lente komt, kleuren de roodbonte koeien de groene weilanden van Nijbroek. Bijvoeren gebeurt indien nodig alleen met maïs en kuilvoer.

De dieren kunnen wel 10-12 jaar oud worden. “We hebben zelfs een keer een koe gehad, die 23 jaar is geworden.” Je zou denken, dat het vlees van die oudere koeien taai en niet meer lekker is, maar niets is minder waar. Het lekkerste vlees dat bij de slager terechtkomt, is juist van het MRIJ-vee.

Hoewel Henk van Eek erg trots is op het MRIJ-vee spreekt hij met alle respect over de collega boerenbedrijven in Nijbroek die Holstein-vee (zwart bont) hebben, een ras dat op de eerste plaats gehouden wordt voor de melkproductie.

In 2001 werd het bedrijf van Henk van Eek, net als alle andere bedrijven in de omgeving, getroffen door de MKZ-crisis. Al het vee werd geruimd, hoewel het niet ziek was. De vraag is dan, hoe ga je verder? Het duurt jaren voordat je een nieuw fokbedrijf hebt opgebouwd.

“En dan is het wonderlijk om te zien, dat er mensen zijn die je zo nabij staan, dat ze je werkelijk willen voorthelpen.” Een bevriend fokbedrijf uit Winterswijk bood hem aan om 20 eersteklas koeien te kopen, en later nog eens 25, wat betekende dat hij de halve veestapel van het dat bedrijf overnam. Zo werd er een nieuwe start gemaakt.

Op dit ogenblik heeft zoon Wim 90 koeien. Men exporteert naar de omliggende landen. Het sperma van de stieren gaat via de KI-stations naar veebedrijven over de hele wereld. En de toekomst? Wilbert, de kleinzoon, heeft zo jong als hij is, het al helemaal in de vingers. Henk maakt zich geen zorgen over voortzetting van het bedrijf door de volgende generatie. En zo blijven mens en dier blij met MRIJ-vee in de wei.

Dit is het tweede verhaal in de reeks Nijbroekers in beeld, geschreven door Herman van den Nieuwendijk. Herman is onderdeel van de werkgroep Polder Nijbroek en woont aan de Dijkhuizenweg.

#1 | Naar Nijbroek

In toeval geloven wij niet. Maar toevallig reden wij die vrijdagavond in juli 2006 wel verkeerd. Het huis aan de Dijkhuizenweg stond leeg. We liepen er om heen en wij waren meteen weg van de plek. Aan de voorkant het zicht op de boomgaard met daarachter de middeleeuwse kerk en vanuit de achtertuin een weidse blik over het landschap.

Die zondag fietsten we binnendoor naar Nijbroek om het huis opnieuw te bekijken. Een plaatsaanduiding was er onderweg niet en wij vroegen de weg aan mensen die in de tuin zaten koffie te drinken. “Nijbroek?” Ze moesten lachen. Dat was duidelijk verkeerd. De klemtoon ligt op “broek”: Nijbroek.

Bij het dorpshuis dronken wij koffie. De beheerder vertelde over het dorp, de historie, de verscheidenheid aan mensen, de feestelijke bijeenkomsten zoals Koninginnedag, de jaarlijkse kermis en kerstmarkt.

Het huis leek nog aantrekkelijker dan de eerste keer. Wij waren verkocht, maar dat betekende nog niet gekocht. Enkele maanden hebben wij moeten onderhandelen, omdat er zó veel aan het huis en de tuin gedaan moest worden. Uiteindelijk was het zo ver. Later hebben wij vaker tegen elkaar gezegd, dat wij het toch hadden moeten kopen, ook als wij niet hadden kunnen verbouwen.

Onze gasten zijn net als wij verrukt van de plek. “Als je bedenkt, dat wij voor zo’n uitzicht naar de camping gaan”, zei onze schoonzus. En iemand anders merkte op, toen hij in de kamer een schilderij bekeek: “Maar dat is je mooiste schilderij!” en hij doelde op het uitzicht vanuit het raam op de kerk.

Je loopt naar buiten en bent in de natuur. Winkels? Nee, die zijn er niet. We missen ze net zo min als de files en de stoplichten. Je bent trouwens zo in een van de omliggende dorpen, zelfs met de bus, of in 20 minuten in het centrum van Apeldoorn of Deventer.

Voor ons was de beheerder van het dorpshuis een echte ambassadeur van het dorp. De gemeenschapszin die hij noemde, ervaren wij elke keer opnieuw zonder dat het ook maar ooit benauwt. Ook na 12 jaar is Nijbroek nog steeds een plaats om verliefd op te zijn.

Ria en Herman van den Nieuwendijk

Dit is het eerste verhaal in de reeks Nijbroekers in beeld, geschreven door Herman van den Nieuwendijk. Herman is onderdeel van de werkgroep Polder Nijbroek en woont aan de Dijkhuizenweg.

Voorwoord “Wij doen het nog altijd samen!” Nijbroekers in beeld.

“Wij doen het nog altijd samen!”

Min of meer met deze woorden eindigt het historisch toneelstuk dat in augustus 2014 door  23 dorpsbewoners live voor Omroep Gelderland werd opgevoerd. Nijbroek zou stadsrechten krijgen, maar de bisschop van Deventer blokkeerde dit. Hij duldde geen nieuwe stad in zijn omgeving. Een heraut kwam de negatieve beslissing aan de bevolking van Nijbroek vertellen. Daardoor werden aan Nijbroek de privileges onthouden die aan stadrechten verbonden waren. De mensen werden zo kwaad, dat ze de heraut met paardenvijgen bekogelden. Uit de menigte sprong iemand naar voren: “Inwoners van Nijbroek, beheerst u. Wij laten ons niet uit het veld slaan door de bisschop van Deventer. Wij hebben hem niet nodig. Wij zijn Nijbroekers. Wij hebben goede landbouwgrond, wij hebben prachtig vee, en alles wat wij doen, dat doen wij samen. Wij zullen arbeiden onder de zon en zo de toekomst van onze gemeenschap opbouwen.”

Een vette knipoog naar de geschiedenis, maar het toneelstuk typeert de gemeenschap polder Nijbroek: zelfstandig, trots, eigenzinnig, hard werkend en bovenal gemeenschapszin.

Deze karaktereigenschappen komen in de blog naar voren waarin verhalen van mensen worden opgetekend, die jarenlang, ja soms zelfs hun hele leven al in de polder Nijbroek wonen, verhalen die niet verloren mogen gaan. Zij zullen veelal vertellen over het verleden, terwijl anderen hun visie geven op het heden en de toekomstige ontwikkeling van het gebied.

Maak kennis met het uitgebreide vrijwilligerswerk, dat uiteenloopt van de jaarlijkse kermis “Dikke Mik” tot aan het schoonhouden van de kerk en het draaiend houden van het Dorpshuis. Nieuwkomers vertellen waarom ze in Nijbroek zijn gaan wonen en hoe ze hun favoriete plek daar hebben gevonden.

U wordt meegenomen naar de weiden en de sloten in het unieke landschap van de polder Nijbroek, een gebied dat niet verloren mag gaan. Geniet van de verhalen van de mensen die daar wonen en dit groene landschap zo kleurrijk maken.

Deze reeks wordt geschreven door Herman van den Nieuwendijk, onderdeel van de werkgroep Polder Nijbroek en wonend aan de Dijkhuizenweg.