#15 | Ons dagelijks brood

Op de keukentafel ligt het fotoalbum met de herinneringen aan het 50-jarig jubileum van de winkel van Arie van Gortel, vader van Alie Hamer. Ze laat de foto’s, felicitatiekaarten en krantenartikelen zien. Het is in de woonkeuken bij Alie en Gerrit Hamer lekker warm en gezellig op deze kille oktoberdag. In het weiland achter hun tuin loopt een aantal geiten. Bij de eerste regendruppels hollen ze naar binnen. Onder het keukenraam staat een mand met tijdschriften, een herinnering aan vervlogen tijden. Alie gebruikte die mand bij het venten van het brood.

Arie van Gortel en zijn vrouw Janneke kwamen uit Vaassen. Arie was bakker en iemand die ook in zijn vrije tijd niet stilzat. Hij was in 1923 medeoprichter van de Christelijke Gemengde Zangvereniging “Hosanna”, dat nog altijd bestaat. Het ondernemen zat Arie in het bloed. Hij zocht een geschikt pand voor een eigen bakkerij en die vond hij in 1931 aan de Benedenste Kruisweg in Nijbroek. “Hier in de keuken was toen de bakkerij“, vertelt Alie terwijl ze een lekker cakeje bij de thee uitdeelt, “maar mijn vader besloot in een aangrenzend vertrek een nieuwe bakkerij in te richten.” Er was ook nog een café aan de voorkant, maar dat wilde haar vader beslist niet voortzetten. Die ruimte werd tot  kruidenierswinkel omgebouwd.

In alle vroegte werd er tarwebrood gebakken, ook krenten- en rozijnenbrood. Tweemaal in de week bakte Arie roggebrood. Het bakken daarvan duurde wel 16 uur. Die roggebroden hadden een gewicht van 4 of 8 pond. Als er brood overbleef, dan werd dat aan hun twee koeien gevoerd. Invriezen was immers nog niet mogelijk.

De oven werd gestookt met rijshout, “riesemieten” noemden ze dat. Daarvan lag een hele berg achter het huis. Die berg takken kwam tijdens de oorlog goed van pas, want het was een ideale plaats om de fietsen onder te verbergen. Geen enkele fiets was immers veilig voor de Duitsers, zelfs kinderfietsen niet.

En dat herinnert Alie zich maar al te goed. Op een dag kwam er een Duitser die zo maar haar fietsje inpikte. In haar kinderogen was hij groot en dik. Alie begon vreselijk te huilen, maar de man trok zich daar niets van aan. Hij reed, hoe bestaat het, er op weg. Maar om als grote, dikke Duitser op een klein kinderfietsje te rijden, moet je wel een circusartiest zijn en dat was de man niet. Even verderop viel hij. Of uit frustratie, of misschien toch uit medelijden om het huilende kind liet hij het fietsje achter.

De spannendste momenten waren voor Arie wanneer zijn vrouw Janneke naar het 12 km verder gelegen Twello moest om de voedselbonnen in te leveren. Ze ging altijd samen met mevr. Jansen die aan het Dorpsplein een bakkerijwinkel had. Gelukkig hebben er zich nooit nare dingen voorgedaan.

“De oorlog was een tijd waarin je mensen leerde kennen”, zou Arie later in een kranteninterview vertellen. “Nooit heb ik mij ten koste van anderen verrijkt. Ik had op de zwarte markt bakken met geld kunnen verdienen, maar tot dat soort praktijken verlaagde ik me niet. Maar van bepaalde personen die ik toen geholpen heb, heb ik na de oorlog niets meer gehoord.” Doelde hij op de mensen die bij hem ondergedoken hadden gezeten of op de mensen die hij voedselhulp gaf?

Arie was principieel. Op zondag was en bleef de winkel gesloten. Dat werd hem niet altijd in dank afgenomen en heeft hem ook klanten gekost. Gas en elektriciteit waren er in die tijd in Nijbroek nog niet en het kwam voor, dat er mensen op zondag zonder kousjes voor hun petroleumstel zaten en bij Arie aanklopten. Zij werden niet geholpen, want Arie vond dat men hierop van te voren beter had moeten letten. Daarentegen stond hij altijd klaar, ook op zondag, als er zich onverwacht een probleem voordeed. Iemand was plotseling ziek geworden en had aspirine nodig. Een babyflesje was gebroken en er moest een nieuwe komen. Op zondag gaf hij het mee zonder dat hij geld daarvoor wilde.

Arie en Janneke van Gortel hadden als een van de weinigen in de omgeving telefoon. Maar deze telefoon werd niet alleen door henzelf gebruikt. Er moesten boodschappen aan mensen worden doorgegeven. Wanneer er een dokter of een veearts nodig was – en dat kon midden in de nacht zijn – ging Janneke vaak eerst nog even kijken, hoe ernstig de situatie was alvorens te bellen.

Als dochter van een middenstander hielp Alie al vroeg in de zaak mee. Toen ze eenmaal achttien was, was het nodig dat ze zo gauw mogelijk haar rijbewijs haalde, zodat het brood met de auto rondgebracht kon worden. Ze is er trots op de eerste vrouw in Nijbroek met een rijbewijs te zijn.

Een aantal wegen in de Polder was wel verhard, maar meestal alleen met grind. De onverharde wegen waren zo slecht, dat het Arie zelfs een keer was overkomen, dat hij met zijn transportfiets over de kop sloeg en in de wetering terechtkwam. Met een nat pak kwam hij bij zijn hevig geschrokken vrouw. “Ach, alleen maar drie broden verdronken”. Die laconieke humor was hem eigen. Toen Alie haar vader, die op de brommer reed, eens bijna onder de auto kreeg en ze hem daarover verwijtend aansprak, zei hij: “Nou en, dan had er in de krant gestaan: dochter overrijdt vader”.

Het bezorgen van het brood met de auto bleek ook een hele opgave, zelfs als de weg met grind verhard was. Vaak kon Alie met haar auto de boerenerven niet op en moest ze een heel eind met haar broodmand lopen. Dat was vooral moeilijk op winterse dagen, zeker in de winter van 1963, die als de koudste van de vorige eeuw te boek staat. De auto was vaker dan eens helemaal ingesneeuwd. Gelukkig was er altijd die aardige postbode, die haar hielp om hem uit te graven. Op haar beurt nam Alie de post mee, die ze met het brood bezorgde. Alie was ook blij dat er ook nog iemand was, die haar die winter zo maar spontaan hielp met het bezorgen.

In maart viel eindelijk de dooi in. Met het ontluiken van de eerste voorjaarsbloemen, kwam ook de lente in Alies leven tot bloei. Gerrit, meubelmaker, was geboren in Terwolde en zijn ouders waren toen hij acht jaar oud was naar het Breestuk in Nijbroek verhuisd. De naam Hamer komt al eeuwen in Polder Nijbroek voor. Gerrit zou zo maar een afstammeling kunnen zijn van Gijsbertus Hamer, die in de 14de eeuw landontginner in de Polder was en een kleinzoon had, die Gherit heette.

In 1965 zijn Gerrit en Alie getrouwd. Het huis van Alies ouders was groot genoeg om er twee woningen van te maken en zo mocht het jonge stel zich vanaf hun eerste huwelijksdag in deze tijd van grote woningnood met een eigen onderkomen gelukkig prijzen.

In zijn vrije tijd hielp Gerrit mee in de zaak van zijn schoonvader. Vooral op vrijdagavond moest er flink aangepakt worden om alle boodschappen, die de volgende dag moesten worden afgeleverd, in te pakken. Maar de zangrepetities op die avond bij het Nijbroekse koor “Oefening en Stichting”  liet hij zich niet afpakken.  Na haar trouwen werd Alie ook lid van het koor van Gerrit, waarvoor hij al sinds tientallen jaren vrijwilligerswerk doet.  Toen het 75-jarig bestaan van het koor samenviel met het 60-jarig lidmaatschap van Gerrit, werd hem tijdens het jubileumconcert door burgemeester Jos Penninx een lintje uitgereikt. Gerrit bleef er rustig onder, maar Alie kon van alle opwinding de hele nacht daarna niet slapen.

De kruidenierswinkel bleef voor de Arie van Gortel zijn grote passie, ook nadat zijn vrouw was overleden, ook nadat hij zelf geen brood meer bakte. Voor het 50-jarig jubileum had de buurt tot zijn verrassing alles versierd en het was goed te zien, hoe de mensen meeleefden. “Ik hoop”, zo zei deze diepgelovige man, “dat God het mij geeft, dat ik tot het einde de winkel mag houden.” En de krant kopte: “Na een halve eeuw gaat hij rustig door met zijn werk”. Nog zes jaar zou de winkel aan de Benedenste Kruisweg open zijn. De laatste jaren van zijn leven ging Arie steeds verder achteruit en in 1987 is hij op zijn 88ste verjaardag overleden. Met zijn heengaan verdween ook voorgoed een van de laatste winkels in Polder Nijbroek.

Dit is het vijftiende verhaal in de reeks Nijbroekers in beeld, geschreven door Herman van den Nieuwendijk. Herman is onderdeel van de werkgroep Polder Nijbroek en woont aan de Dijkhuizenweg.